'Hij smakt', mopper ik.
'Schei je nou eindelijk uit?' vraagt moeder, 'vertel liever wat je mee moet nemen naar het Ajc-kamp.'
Ik Iaat het lijstje aan vader zien.
'Toe maar, een pyjama ook. Of een hansop, dat valt me mee. Tandpasta, tandenborstel. Een deken of slaapzak. Een rugzak. Vertel ze maar dat in Londen de paarden een zak onder hun staart hebben, daar vangen ze de neviegem in op.'
'Plaag hem nou niet', maant moeder, 'hij moet toch geholpen worden. Hebben we niet die koffer staan waar je een slot op moest zetten, voor die klanten in de Maanstraat? Ze zijn al drie maanden verhuisd, en als ze al mochten komen opdagen, dan toch niet met de paasdagen.'
Dat zouden ze wel willen, dat ik met een koffer naar een AJc-kamp ga.
'Daar denk ik niet aan, een koffer is burgerlijk.'
Maurits begint hard te lachen.
'Je bent toch op de hogere burgerschool.'
Moeder schept opnieuw eten op onze borden, wil mij te veel jus geven, maar ik heb haar gelukkig in de gaten, ze weet heus wel dat ik het niet lust... Vader krijgt natuurlijk weer het grootste stuk vlees. Als ik er wat van zeg weet ik het antwoord al: 'Hij moet er het hardst voor werken, als jij getrouwd bent later kun jij het grootste stuk nemen.'
Vader fronst, alsof hij ergens over prakkizeert, zijn voorhoofd. Zijn glanzende, donkerbruine ogen kijken mij doordringend aan, zodat ik er verlegen van word.
'We hebben op zolder nog een ransel liggen', zegt hij in gedachten, 'die heb ik vroeger eens gekocht toen je al die oorlogsrommel voor een habbekrats op de kop kon tikken. Kun je die niet meenemen naar het kamp?'
119