'godallemachtig. Bijna vijf gulden. Daar kunnen we een week van eten. Altijd wat bijzonders bij de ajc. Een Rode-Valkenblouse, nou ja, die heb je voor je verjaardag gevraagd. Kort geleden kabelkousen, hoe verzinnen ze het, kabelkousen. Twee gulden voor een paar kousen. En nu dit weer.'
Ik zwijg, zoek koortsachtig naar een argument dat hem niet kwaad maakt. Hij is zelf ook voor de arbeiders, dat heeft hij vaak genoeg gezegd. Ik pleit: 'Zij willen alleen het allerbeste, omdat het voor de arbeidersjeugd is.'
'En als die arbeiderskinderen het niet kunnen betalen? Dan wordt het een organisatie voor wie het beter hebben, en dat is het al hard aan het worden met al hun dure gedoe.'
Weer houd ik mij stil, zoek naar een oplossing. Moeder had het over poffen. Vooruit dan maar. Als ik niet uitkijk zegt vader dat het helemaal niet doorgaat, en dan hoef ik het ook niet meer te proberen. Maar nu kiest moeder mijn kant: 'Wij zijn met de paasdagen naar het sanatorium. Die jongen kan toch niet alleen thuisblijven.'
'En Maurits...?' vraagt vader.
'Die gaat met ons mee.'
'Dat scheelt me nogal wat, een retourtje met de Gooise stoomtram of zo'n kamp', vervolgt vader.
Altijd dat rotgeld. Als ze naar het sanatorium op bezoek moeten, zorgen ze er wèl voor dat het er komt. Dat zal ik ze nu eens lekker vertellen. Het kan me toch niets meer schelen.
Vader antwoordt dat ik mijn brutale bek moet houden, dat ik anders een pak slaag kan krijgen zo groot als ik ben.
Niemand zegt meer een woord. Ik hoor vaders drif-
115