plaats is gaat ze daarnaartoe. Voorlopig ligt ze in haar eigen kamertje, naast de werkkamer van vader.
Hij zingt heel hard, zodat ze het kan horen in haar bed. Ze moet opgewekt zijn, dat is goed voor de genezing. Moeder is ook steeds bij haar. Saartje moet flink eten, daar wordt ze sterk van. Maar ze heeft niet veel trek. Het is een rare ziekte. Je voelt er niets van en toch is er iets niet in orde. Je bent gewoon en je hebt koorts, zoals een ander mens juist geen koorts heeft als hij gewoon is.
Ik ben overgegaan naar de tweede klas, en mijn rapport was veel beter dan eerst. In augustus word ik dertien. Maup is nog elf, in december is hij jarig, maar na de vakantie gaat ook hij naar de driejarige. Hij heeft de achterstand, van toen hij zijn elleboog heeft gebroken, helemaal ingelopen.
Er is bericht gekomen, Saartje kan naar een sanatorium, in Hellendoorn. Het is veel te ver, daar kan niemand op bezoek komen. Het wordt Hooglaren, een kindersanatorium. Twee maal per week is er bezoek, op woensdag en zondag. Elke keer gaat vader of moeder. Met iemand van de familie soms. Ik en Maup mogen ook wel eens, maar het is veel geld, de reis.
We hebben vrij van school, het is koninginnedag. Morgen, i september is Saartje jarig.
'Ga je mee? We kunnen best naar Saartje lopen.'
Eerst aan vader en moeder vragen.
Ze vinden het veel te ver. Het is wel vier uur lopen.
'Dat is toch niet zo erg? We kunnen rusten wanneer we willen.'
'Vooruit dan maar. Jullie krijgen geld om terug te gaan met de Gooise stoomtram.'
109