schuwde vanwege mijn breuk.
Het smalle pad voerde ons naar een tweede veld, waar een diepe kuil Saartje's plek aangaf. Saartje werd neergezet. De rebbe sprak woorden van troost, doorspekt met Hebreeuwse zinnen die hij half zong. Hij sprak over wolven en over een paardebloem, over een muur en over het offer van Abraham. Toen moest opa het kaddisj zeggen en elk woord herhalen dat de rebbe tot hem sprak.
Tergend langzaam lieten de lijkdragers de kist met Saartje in de kuil zakken. Alle mannen moesten er enige scheppen aarde op gooien. Ook vader. Ook Maurits. Ook ik. Misschien bedoelden ze dat we haar zo moesten toedekken, voor de laatste keer.
Toen mompelde de rebbe weer in het Hebreeuws en was de plechtigheid afgelopen.
We moesten naar een kamer in een huisje verderop, waar ze de tafel hadden gedekt. Broodjes. En cake. Nasjen bij een lawaaie? Nasjen nu Saartje er niet meer was? Hoe kon dat nou?
'Ik wil niet meer naar de HBS,' zei Maurits toen we weer thuis waren. 'Bij vader ga ik werken, in de schoenmakerij.'
Het verbaasde mij, want hij had het ook een rotvak gevonden, en nu ineens wilde hij schoen
143