mee met een begafenis. Vorige week had Saartje nog haar laatste brief geschreven, waarin ze ook mij had genoemd, omdat ze het zo lief had gevonden dat Maurits en ik helemaal naar Blaricum waren gelopen.
Vader vroeg aan opa of hij op het kerkhof het kaddisj wilde zeggen, want vader kende geen Hebreeuws. Opa zuchtte alleen, bij wijze van instemming. Ook dat was geregeld.
Zonder bloemen zouden we de baar volgen. Door het meedragen van de afgesneden stengels zouden we anders nog meer onheil afgeroepen hebben. Moeder was er niet bij, en opoe evenmin. En de tantes? Zij zouden thuis bij opoe op de mannen wachten.
Waarom mocht zelfs moeder niet mee nu Saartje werd begraven? Moeder en Saartje hoorden toch bij elkaar? Als ik vader was nam ik haar toch mee. Eens kijken wat die rebbe ervan zei. Of ik liet haar gewoon ergens begraven waar het wel mocht. En wie zou dat betalen? Vader was al blij dat de joodse gemeente een regeling had aanvaard.
Vader droeg zijn eigen hoed, Maurits had een klotje geleend van oom David, terwijl de pet van opa steeds over mijn ogen zakte. Zo vertrokken wij naar de Nieuwe Kerkstraat, waar Saartje in een gesloten doodkist op ons wachtte om naar
141