nooit uit de sjwiejenieje geholpen? Oom Aaron was zelfs rijk, heel rijk, en hij kende alle brooches uit zijn hoofd. Vader had meer verstand in zijn pink dat die hele misjpóge bij elkaar, had moeder wel eens gezegd. Maar ze mochten hem niet, omdat hij niet in God geloofde, en rood was net als opa.
Het scheen wel alsof moeder net zo had zitten denken als ik. Ze klonk zo hees, dat je haar bijna niet kon verstaan. 'Hoor je me, Barend, ik wil niet dat je mijn familie waarschuwt. Ze hebben het niet verdiend om op de lawaaie van onze Saartje te komen. Nooit hebben ze zich een pósjet van haar aangetrokken. Wat koop je voor familieleden die zich alleen maar bij begrafenissen laten zien. Nee, ik wil het niet, hoor je me, Barend?'
Misschien had ze wel gelijk. Jammer dat opa en opoe uit Arnhem dood waren. Zij hadden juist zoveel van Saartje gehouden. Maar waarom mochten Maurits en ik nooit bij ze logeren? Wij waren zo wild, zeiden ze, en dat was Saartje niet. En zij leek op moeder.
Saartje werd al na twee dagen begraven, zonder dat ik haar nog een keer had kunnen zien.
Vroeger had ik angstig naar het witte laken gekeken, dat mensen voor de ramen spanden, en met ingehouden adem de gezichten van de nabestaanden bestudeerd. En nu ging ik zelf
140