Ik moest het nu wel geloven. Maar het was gemeen. Waarom moesten ze ons altijd hebben? En hoe kon Saartje dat nou doen? Van haar was het ook gemeen, net zo goed. Je hoefde toch niet in te storten als je erop lette? En dat nog wel, nu moeder in het ziekenhuis had gelegen. Zou ze het niet geloofd hebben van die verkoudheid? En gedacht hebben dat het veel erger was dan een lichte hersenschudding en een gebroken sleutelbeen?
Stilletjes zaten we naast elkaar en durfden geen woord te spreken. Over Saartje kon je toch niets zeggen nu het zo erg was. En over iets anders net zo min. Opa, die aan tafel aardappelen zat te schillen, zou denken dat we het niet verschrikkelijk vonden.
'Hier hebben jullie een kop thee,' zei opoe, en ze deed er een hele scheut melk in, wat Engels was, omdat ze vroeger in Londen hadden gewoond. Stel je voor dat vader daar was gebleven. Dan had Saartje misschien geen tbc gekregen. Maar had Saartje dan wel bestaan, als vader met een Engelse vrouw was getrouwd?
Toen werd er gebeld, en kwamen vader en moeder terug vag het sanatorium. Bij Saartje vandaan. Bij onze Saartje vandaan. Onze Saartje. Die naar opoe was genoemd. En opoe had niet eens gehuild. Of was ze toch verdrietig? Mis
138