teur moest komen.
Maurits zat er al, toen ik binnenkwam.
Er was een telegram voor ons gekomen, vertelde de baas. We moesten niet naar huis, maar naar onze grootouders in de Bataviastraat. Nee, we hoefden nu niet terug naar de klas. We konden meteen vertrekken.
Als in een waas liepen we voort. Wat was er nu weer aan de hand?
Geld om met de tram naar de Indische buurt te gaan hadden we niet, en zo liepen we, elk in eigen gedachten verdiept, door' de eindeloze Van Baerlestraat. We durfden elkaar nauwelijks aan te zien. Soms bleven wij even staan om in een etalage te kijken. Boven ons hoofd werd een tafel slingerend omhoog gehesen.
En zo slenterden wij verder.
Vreemd dat je zo moe werd van een wandeling die niets om het lijf had. Op koninginnedag waren Maurits en ik helemaal naar Saartje wezen lopen, van Amsterdam naar Blaricum, omdat vader toen geen geld had gehad om de trein voor ons te betalen. We hadden toch bij haar willen zijn omdat ze de dag erna jarig was. Alleen bij de Hakkelaarsbrug waren we vijf minuten gaan zitten.
Wat was de Ceintuurbaan toch een ongezellige straat. Vlak bij de Ferdinand Bol legde een broodbezorger zijn lege mand terug in de open
136