eeuwige jekker, met zijn kort krullend haar, bleef hij urenlang voor de deur van zijn poortwoning staan.
Wij bezaten niet de moed langs hem te lopen en begaven ons ongemakkelijk via de andere zijde van de doorgang naar het plein, waar we ons altijd verzamelden om te knikkeren of naar het opgespoten land te gaan.
Beer was kapitein geweest op de Betsoeana, een kustvaarder van pakweg 5000 ton, die wel een jaarlang in het droogdok bij zijkanaal A had gelegen. In Tuindorp kende iedereen het lot van het schip. Het had paarden naar Engeland vervoerd, maar lag onrustig op de golven. Elke reis weer braken enkele dieren hun benen. Het was een ramp voor de bemanning die het gejammer van de beesten moest aanhoren, totdat, aan wal, een veearts met één schot een eind aan hun lijden maakte.
Na de langdurige reparatie was de Betsoeana weer vertrokken met zijn vracht, maar aan de Engelse kust was het schip op de krijtrotsen gelopen en gezonken.
Beer werd voor een jaar geschorst. Er werd gefluisterd dat hij het schip in opdracht van de reder met moedwil had laten vergaan.
Als wij ook maar even naar hem omkeken, werd Beer razend en joeg ons weg.
131