Halverwege de treinreis stapte Beer bij ons binnen. Hij nam me onderzoekend op, fronste zijn wenkbrauwen en vroeg aan vader of hij naast hem mocht komen zitten.
Terwijl hij vader een sigaartje aanbood vroeg hij aarzelend: 'Woont u niet in Tuindorp?'
'Kort geleden nog wel,' antwoordde vader, die de kapitein niet kende, verbaasd. 'Gaat u ook naar het Gooi?'
'Mijn dochter is pas opgenomen in het kindersanatorium,' vertelde Beer, 'ze ligt in Hoog-Blaricum.' Hij vroeg zich af hoe een meisje plotseling tuberculose kon krijgen. Of verdriet er mee te maken had. En spanningen.
'Ze beweren dat het een armoeziekte is, maar als kapitein heb ik nooit armoe gekend.'
Onhandig zwijgend zaten de mannen naast elkaar. Eigenlijk vond ik Beer best aardig, zo aardig, dat ik bijna moest huilen.
'Soms vraag je je af of het verleden er ook invloed op kan hebben gehad,' begon vader. 'Saartje ging altijd in Arnhem logeren, bij de ouders van mijn vrouw. Die waren toen al niet goed, en zij zijn allebei aan tuberculose gestorven. Kan zo iets doorwerken, vraag je je dan af. Van zo'n rotziekte genees je nooit helemaal. De bacillen worden ingekapseld, tot ze op een ongunstig ogenblik hun kans grijpen!'
Ik hing aan vaders lippen als hij zo sprak.
132