XVII
DE BRIEVEN VAN SAARTJE
Het was als een verslaving. Ik wist het en kon me er niet aan onttrekken. Elke ochtend wachtte ik gespannen op een brief van Saartje. Meestal kwam de postbode omstreeks half negen, juist vroeg genoeg voor mij om met de brief naar boven te hollen, hem aan moeder te geven en hem zelf met een haastige blik door te nemen om te zien of er iets speciaals voor mij instond, al was het maar één woordje. Daarna greep ik met beide handen de trapleuningen beet om grote sprongen te kunnen maken en weg te sprinten.
Eigenlijk behoorde de post er al te zijn. Vijf minuten kon ik desnoods nog op hem wachten, zeven minuten als het er op aankwam, al verscheen ik dan bijna zeker te laat in de klas. De schoolbel zou hebben geluid en ik zou me met een of andere smoes langs Soepoog, de conciërge, moeten wringen om niet bij de baas te hoeven komen. Want die was niet mis. Hij was nieuw, kende mij nauwelijks, Saartje kende hij al helemaal niet, en nieuwe bezems vegen schoon.
Met de conciërge durfde ik wel over de brieven
129