al niet meer luisterde en als ik wegholde met stenen begon te gooien, tot we voorbij het ijsclubterrein waren.
Nooit eerder hadden we elkaar zo fanatiek in de haren gezeten. Toen Maurits nog niet op de HBS zat, was er een grote rust tussen ons ingetreden. Ik kwam laat thuis van school, moest veel huiswerk maken, en Maurits had heel andere vriendjes, speelde op straat. Het was een tijdlang zelfs alsof we eigenlijk geen broertjes waren. En nu we samen naar de HBS gingen, dezelfde leraren hadden en over dezelfde problemen konden praten, liep elke toenadering uit de hand.
We misten Saartje.
En moeder was er ook nooit meer. Of ze was bij vader in de winkel, of ze was naar Saartje. Als je van school thuis kwam, brandde de kachel niet eens. En in mijn jas, daar waar de tas erlangs schuurt, zat een gat waar ik me voor schaamde.
Soms wilde ik Maurits aanhalen, en dat kon hij niet verdragen. Net als vroeger, als ik in bed met mijn knieën in zijn holletje ging liggen. Juist als ik hem lief vond, werd hij driftig.
Langs de dalende wallekant liepen we voorbij de brug van de Ruysdaelkade naar de Govert Flinckstraat. Rijen kolenschuiten lagen er zachtjes te dobberen. Tussen de schepen en de kade dreef een neverrippie tegen het rottende hout.
126