XVII
KNOKKIE
Mijn hart klopte in mijn keel toen ik wegrende, met Maurits achter mij aan. Ik wilde helemaal niet met hem vechten. Dat had ik me al duizend keer voorgenomen, de laatste tijd sinds we samen op de HBS waren, en toch kwam het er steeds weer van.
Als Maurits vroeger gebukt stond, gaf ik hem een zetje zodat hij voorover viel. Het ging vanzelf, zonder dat ik het wilde. Of ik gooide van achteren water in zijn nek. Of veegde een lik schoensmeer aan zijn blote been. Daarom noemden ze me thuis de pestkop. En omdat Maurits een driftkop was, kwam het knokken vanzelf.
Maar dat was toch allang niet meer zo?
Hoe kwam het dan dat we de laatste tijd steeds weer ruzie met elkaar hadden? Niet dat we vochten, dat wou ik absoluut niet, maar als we naar huis of naar school liepen en bij het Museumplein waren aangekomen, was het onherroepelijk mis. Dan wou ik sussen, tegen Maurits zeggen dat ik het niet kwaad had bedoeld, terwijl hij
125