proefde vader zijn geluk in de achtertuin. Eerst moest Saartje poseren: rechtop liggend in haar rieten stoel, lachend, ernstig kijkend, en zij mocht vooral niet bewegen. Toen kwam moeder naast haar staan. Ten slotte Maurits en ik.
Om beurten tuurden wij naar het resultaat, trokken elkaar de foto's uit handen.
Saartje rijst op uit een mistige waas, met grote ogen die verbazing kenbaar maken.
Moeder en Saartje poseren naast elkaar. Het lijkt wel avond. Saartje is een hoofd groter dan moeder. Ze vouwt haar handen voor haar lichaam. Moeder kijkt wantrouwend, met ge-fronsde wenkbrauwen, als wil ze zeggen: 'Barend, laat je niet mesjogge maken. Herman is nou eenmaal een beetje wittiesj. Hij altijd met zijn uitvindingen en zijn tweedehands koopjes. Een ander heeft de lol ervan gehad, en jij kan opdraaien voor de sores.' Over de foto lopen strepen als over een zo juist ingezeept raam.
En weer een foto. Links sta ik, mijn borst stoer opgeheven. Om mijn middel de brede leren riem die ik van mijn neef Oggie heb gekregen, met 'slamat pakeh' erop. Naast mij Saartje, de langste van ons viertjes. Dan komt Maurits, zijn linkerarm hoekig voor zijn buik geplant. Aandachtig richt hij zijn spotoogjes naar de lens. Ten slotte, helemaal rechts: moeder, in een dikke wolk.
Op de laatste foto zit Saartje ontspannen, ge-
118