Zelf kom ik enige maanden in zo'n kamp terecht om ten slotte te worden afgekeurd, trouwens, voor de gemengd-gehuwden worden nu uitzonderingen gemaakt.
Maurits is veilig. Hij werkt nu als werkmeester in een joods gesticht in Apeldoorn. Daardoor heeft hij een goed stempel van de Joodse Raad.
In zijn plaats werk ik bij vader, die mij het vak wil leren, maar het voorlopig al belangrijk vindt dat ik een spijker recht in de hakken leer slaan. En nog belangrijker dat ook mijn gezin zich kan redden: Bep, ik en onze kleine Elsje, in het eerste oorlogsjaar geboren.
Er komt weer een oproep: vader moet worden gekeurd voor een werkkamp. Is er helemaal niets aan te doen? De huisdokter zal zeker een attest geven, maar vader is een boom van een kerel, en ze keuren niet zo gemakkelijk meer af.
Vandaag breng ik vader naar het Muiderpoortstation. Hij is goedgekeurd, het doktersbriefje heeft niets geholpen.
'Zul je goed voor moeder zorgen?'
'Natuurlijk, vader. Ze kan de hele dag bij ons zijn. Ik zal met haar het geld van de winkel afrekenen.'
'Schrijf je me alles wat er gebeurt? Ook met de winkel? Je redt het wel.'
'Ik zal mijn best doen.'
'Als ze in het kamp een smerige streek met ons willen uithalen, steek ik de hele boel in brand. De leerlijm is erg brandbaar, stuur me die als ik om melkpoeder schrijf!'
Daar heb je het station. Mee naar binnen mag ik niet, voor joden verboden, behalve met speciale bestemming.
'In oktober wordt Elsje twee jaar, wil je dein iets moois voor haar kopen, van opa Barend?'
'Ja hoor, vader.'
'Laat Bep elke dag wat extra's voor haar halen, van het geld van de winkel. Beloof je me het?'
'Ja vader, ik beloof het.'
92