'Dat is zo/ antwoordde ik. 'Herinner je je Vogel nog? Dat was toch ook een jodenman. Ik zal nooit vergeten hoe die vertelde dat hij vóór de oorlog eens met de voddenkar op stap moest zonder dat er geld in huis was, en geld heb je nodig ook om oude rotzooi op te kopen, dat willen de mensen nooit geloven, had hij eraan toegevoegd. "Ik zal wel zien hoe ik me er door sla," had Vogel tegen zijn vrouw gezegd. In de Van Baerlestraat werd hij binnengeroepen, daar kon hij een pracht van een kinderwagen overnemen, een tientje vroegen ze ervoor. Hij had ernaar gekeken, een dekentje opgetild, naar het matrasje gestaard, en toen uitgeroepen: "Voor geen geld wil ik die wagen, mevrouw, er zit onrein in." Hij had een vies gezicht getrokken en gezegd: "Kijkt u zelf maar." De vrouw had een stap achteruit gedaan, durfde niet te gaan kijken, en had geantwoord: "Koopman, als u de kinderwagen van mij wilt meenemen krijgt u een rijksdaalder toe." Hij vertelde ook dat andere vrouwen "eisjediesj" waren en met hem naar bed wilden.'
'Maar jij, hoe kwam jij bij ons?' drong Duiven-oord opnieuw aan.
'Toen de oorlog uitbrak werkte ik bij een bank. Ik moest in dienst, en kon na de demobilisatie niet terugkomen. Als je werkloos was mocht je de dienst niet uit en werd je bij een of andere "arbeidsdienst" ingedeeld - ik weet de naam niet meer, later werd het de luchtbescherming. Als je toch wilde demobiliseren, mocht je niet in de steun worden opgenomen. Ik waagde het erop. En eenmaal thuis, ging ik naar
96