Ik sloot even mijn ogen, en met moeite haalde ik me hem voor de geest. 'Die rooie, bedoel je.'
Het was een gedrongen, gezette man geweest, zo'n vijfendertig jaar oud, een vrijgezel die aan astma leed, de ene sigaret na de andere draaide, de rook opzoog alsof hij ze niet meer wilde uitblazen en het dan benauwd kreeg en rochelde tot wij bang waren dat hij zou stikken.
'Je kon lol met hem hebben.'
Dat was waar. Elke dag wist hij nieuwe moppen, die hij vertelde als we na een uur scheppen vijf voor de putter namen, maar sommige ervan konden we al dromen, en dan werd hij uitgejouwd. Zeker ééns in de week vroeg hij of we dat in de krant hadden gelezen, van dat mokkel op de Rozengracht. Een Duitse soldaat had haar in haar hand geschoten, en 'niets gebeurd' voegde hij er dan triomfantelijk aan toe, 'geen schrammetje', en keek ons stuk voor stuk aan of we begrepen wat hij bedoelde. Of hij had iets beleefd in een andere werkverschaffing, waar iemand achter een bosje ging zitten schijten. Hij had stiekem zijn schep eronder gehouden, de drol opgevangen, en toen gauw teruggetrokken. Die man had er niets van gesnapt en overal gezocht naar zijn bolus. En altijd haalde de rooie het geintje uit om aan het borsthaar te trekken dat uit mijn overhemd krulde, om te vragen of hij een sjekkie mocht draaien.
'Hoe ben jij toen eigenlijk in de werkverschaffing verzeild geraakt? In het begin van de oorlog werden de joden toch nog met rust gelaten?' vroeg Duiven-oord nieuwsgierig.
95