ter de mijne, dan vergeet ik het niet.'
Buiten was het koud. Huiverend liep ik naar de fietsenstalling in de steeg om de hoek. Een oude oppas lag er te slapen, het hoofd voorover op een tafeltje. Zodra hij mij hoorde stond hij op, vroeg of hij mijn banden moest oppompen en borg de sigaret, die het steevaste antwoord was op zulke vragen, voorzichtig op onder de rand van zijn pet die hij weer op zijn schedel schoof. Hij trok van Drees, vertelde hij als altijd, en zo verdiende hij er nog een centje bij.
Ik liep met de fiets aan de hand de steeg uit. In het duister van een inham bij de hoek stond een vrouw uit de buurt, haar mantel om een man heengeslagen, en staande maakten zij een nummertje. Altijd was er hier wel iets aan de hand. Vechtpartijen, midden in de nacht, of een vrouw werd door een pooier langs de straat gesleurd terwijl zij zich verzette en scheldwoorden uitbraakte.
De lichte nevel van de nanacht vulde de verstilde, in duisternis gehulde Utrechtsestraat en liet zijn vettig-natte adem achter op het asfalt, waarin de schaarse straatverlichting flauw weerspiegelde. Etappe vier, telde ik automatisch, want de gang van de krant naar huis had ik in acht etappes verdeeld, en nu was ik op de helft. Met het bovenlichaam over het stuur van mijn fiets gebogen, de kraag van mijn jas hoog opgezet, reed ik, door geen verkeer bedreigd, tussen de tramrails. Een eenzame voetganger liep licht slingerend over de brug bij de Herengracht.
90