Op de afdeling was niemand meer aanwezig. Haastig werkte ik het stenogram uit, zwijgend, tegenover mij Hilda, die de rest uittikte.
'Weet jij wat hier staat?' vroeg ze plotseling, reikte me haar stenogram aan, kwam - toen ik het evenmin kon lezen - naast mij staan, en weer voelde ik haar lichaam. Verwachtte zij iets van mij? Maar dat was te gek. Ze was het fatsoen zelve, een goede vriendin van Bea, mijn vrouw, en zo iets was ondenkbaar. Zij bleef staan wachten terwijl ik op haar stenogram tuurde, opnieuw naar het beeld van haar woorden staarde. Hilda wist zeker dat ik het plotseling zou kunnen teruglezen, zoals zij mijn schrift altijd kon ontcijferen als ik woordblind was, zó vulden wij elkaar aan. Ze bukte zich over mijn schouder om mee te zoeken naar de zin van haar kortschrift. Als ik haar eens een zoen gaf? Zou zij zich verzetten? Brave Hendrik. Dat deed je nooit. Was je veel te bang voor. Net zo fatsoenlijk als zij, een burgermannetje met angst voor de gevolgen, ondanks je radicale principes. Was je soms niet jaloers op collega's die het zo nauw niet namen, al liet je dat nooit merken? Toch was het te gek dat je elkaar niet mocht aanraken, twee collega's in de nacht, man en vrouw, door alle vezels met elkaar verbonden zoals die ontstaan wanneer je nauw samenwerkt, dag-in-dag-uit, nacht-in-nacht-uit. Misschien wilde zij het niet eens, verbeeldde je je maar dat zij om je gaf.
'Ga jij maar naar huis als je klaar bent/ zei Hilda zacht. 'Ik stempel wel voor je. Zet jouw kaart ach
89