Half tien. In drie cellen tegelijk rinkelden de telefoons. De Noordhollandse edities begonnen hun berichten door te bellen. Om twaalf uur sloot de Haarlemse editie, om één uur kwam die van de pers. Het ene bericht volgde nu op het andere, er stonden al vijf in mijn stenoblok die ik moest uitwerken, en de anderen zaten nog op te nemen. Bollé kwam naar mij toe. 'Hier is een briefje van Warden Mackay aan Frits Herder. Je moet het meteen tikken.' Daar werd je stapelgek van. Herder, de chef van alle redacties. Mackay, zijn waarnemer. Zij zaten vlak tegenover elkaar, in één kamer. Voor elke scheet schreven ze elkaar briefjes. Eerst dacht ik dat het belangrijke zaken betrof, waarvan een afschrift in het archief moest worden bewaard, maar dat had ik mooi mis. Het was hun manier van conversatie, om verder zwijgend hun gang te gaan. Zij schreven in klad hun boodschap op, en wij moesten die overtikken, 's Middags, als er niet veel meer te doen was omdat de krant al was opgemaakt. Geloof het maar! Bollé kwam er op de meest ongelegen ogenblikken mee, 's morgens, wanneer het razend druk was. Waarom tikte hij ze zelf niet? Dat mocht niet. Chefs mochten niet meewerken. Niet op die manier tenminste. Geheime rapporten moest hij tikken, voor de hoofdredactie of de directie. En zulke dingen meer. Alleen als iedereen aan het opnemen was en er een dringend bericht op de afdeling werd doorgebeld, hing hij ook. Maar hij verdween meestal van de steno zodra er werk aan de winkel was.
Weer ging de telefoon. Richardson uit Londen.
75