Op een vage manier kenden we elkaar, hadden elkaar in de oorlog eens op een illegaal adres ontmoet. Hij was altijd vertrouwelijk tegen me, soms meer dan hij kon verantwoorden, of hij kankerde dat het bericht wel niet in de krant zou komen, of drastisch zou worden ingekort. Nu sprak hij over een offsetpers die was gekocht, en waarvan volgens hem het formaat niet deugde. 'Straks raken we een aantal periodieken kwijt omdat die er niet op kunnen worden gedrukt,׳ vloekte hij. 'En dan te weten dat de handelsdrukkerij toch al als een dodelijk gewicht op de krant drukt. Iedereen beweert dat er verlies op de krant wordt geleden, maar het is niet zo, dat kan niet bij 300.000 abonnees. De strop komt, nou ja, dat vertelde ik je al. Mij benieuwen hoe lang dat goed gaat.'
Bolle wriemelde met zijn pink in een neusgat, veegde de pots aan een krant. De verveling was begonnen. De leegloop werd het in het nieuwste Nederlands genoemd, en daar waren al wat grapjes op gemaakt. Straks zou er een redacteur komen die Bollé voor een of ander klusje nodig had, daar hoopten we tenminste hartstochtelijk op: bemiddeling bij een telefoonaansluiting, of god-weet-wat, want overal had hij zijn connecties. Dan rende hij weg, en wij haalden verlicht adem. Maar nu kwam een editieredacteur vragen wie Haarlem had opgenomen. Ik niet. Hilda schudde van nee, Siem gaf niet eens antwoord.
'Ik,׳ zei Bollé, 'vanmorgen, toen er niemand an
76