Op de afdeling was Siem Terpstra net binnengekomen, een half uur te vroeg, ondanks zijn late dienst. Hij trok zorgvuldig elk kledingstuk uit: overjas, colbertje, wollen das en trui, alles kreeg een aparte behandeling. Hij stroopte zijn hemdsmouwen op tot boven zijn ellebogen, keek toen naar het openstaande bovenraampje. 'Het tocht/ zei hij, pakte een haakstok en klapte het enige ruitje dat een beetje frisse lucht tot de afdeling toeliet dicht. Straks zou ik het weer opendoen, als hij in een telefooncel zat om een bericht op te nemen, en om beurten zouden wij triomferen, de hele godganse dag. Hij zocht een kladblok, scheurde er vellen papier uit om zijn bureau schoon te maken van elke vlek die de nachtploeg er op had achtergelaten. Hij was er vies van. Als hij zich zo druk maakte om zulke onbenulligheden, zag hij, ongetrouwde jongen, er ouder uit dan zijn negenentwintig jaar. Hij was klein van stuk, met een groot hoofd. Sluik, donkerbruin haar. Achter zijn brilleglazen spottende ogen. Een scherpe neus en kleine kin, in een te bleek gezicht. Smalle lippen.
Toen kwam Bollé binnen. Te laat voor zijn doen. Normaal was hij er het eerst. Zijn aanwezigheid werkte verkillend op iedereen. Ook nu ging hij achter zijn bureau zitten zonder te groeten, zonder op te kijken. Zijn gezicht zag in-wit, van slaap of ergernis. Hij kwam naar mij toe. 'Jij zit op mijn stoel/ verweet hij mij. Het zou wel waar zijn. Ik kon het verschil nauwelijks ontdekken. Ze hadden in de nachtdienst natuurlijk de stoelen omgeruild.
74