'Zeg maar tegen meneer dat ik nog een heleboel werk heb.'
'Is dat het heus ?' vraagt Jeltje, en als ik 'ja' zeg gaat ze opgelucht naar boven.
Even later hoor ik Jeltjes voetstappen weer in de gang, en als de deur opengaat is zij het inderdaad. Zij pakt de stoel van Sergeant, de boekhouder, gaat er wijdbeens op zitten, met de rugleuning naar voren, wiebelt even heen en weer en zegt:
'Meneer vindt dat je toch moet komen.'
'Waarom?' vraag ik onnozel.
'Dat weet je heus wel', antwoordt Jeltje vinnig.
Dan zwijgen wij alle twee.
'Doe nou niet zo kinderachtig', dringt zij aan, 'ik kan het ook niet helpen. Doe het dan voor mij.'
'Het gaat niet om jou', antwoord ik zacht, als wil ik haar smeken geen kwaad van mij te denken.
'Waarom dan wel ?' dringt zij aan.
'Omdat ik ertegen ben', antwoord ik ten einde raad.
'Zie je wel, dat zei meneer ook al. En weet je wat hij nog meer zei? Dat je anders ook zo ijverig niet bent.'
Driftig staat Jeltje op en holt de afdeling af.
Wat een rotopmerking. Dat durft hij me ook niet in mijn gezicht te zeggen, dat ik niet ijverig ben. Een keer heeft hij het geprobeerd omdat ik een exploot niet vlug genoeg had overgetikt. 'Ik wed met u om een pakje sigaretten dat u het niet vlugger kan', zei ik tegen hem, en die weddenschap heeft hij aangenomen en verloren, al heeft hij me die sigaretten nooit gegeven.
Nu wordt de deur met een smak opengegooid, en komt de baas met grote stappen op mij af.
'Heb je niet gehoord datje boven moet komen?' bijt hij me toe.
Ik knik.
92