Als we na een uur afrekenen, heeft Bep zeven kranten verkocht, ik negen; ik heb een stuiver extra gekregen. Laat is het niet, half tien, ik kan best een stuk met haar mee lopen.
Op de Ceintuurbaan spreekt geen van beiden een woord, tot ik aarzelend zeg: 'Wessel is wel aardig hè?'
'Hoe kom je daar zo op?' vraagt Bep verbaasd.
'Ik dacht dat jullie verkering hadden.'
'Wat een onzin. Heeft hij je dat verteld? Ik heb verkering gehad met Geert. Hij noemt zich anarchist, maar hij is een klaploper. Hij woont bij zijn zuster in, die hem helemaal in de kost heeft. Hijzelf werkt niet. "Ik laat me niet door een baas uitbuiten", beweerde hij. Dan zei ik tegen hem: "Maar je zwager mag wel elke ochtend naar de fabriek. Als je van hem leeft, is dat dan geen uitbuiting?" Als ik daarmee kwam werd hij vreselijk sarcastisch, vond me een zijen trut, een zondagsschooljuffrouw, die niet wist wat er in de wereld te koop was. Om me te straffen ging hij dan met andere meisjes op stap, met ze naar bed ook, wat me vreselijk verdrietig maakte. Hij lachte me erom uit, zei dat ik een kleinburger was, verpest door de burgerlijke moraal. Toen heb ik met hem gebroken.'
Plotseling zwijgt ze, kijkt mij ontsteld aan: 'Je moet niet denken dat ik zo veel van politiek weet. Dat is niet zo. Als ik ga colporteren, dan is het omdat ik mee wil doen. Vervelend vind ik het wel, maar die dingen moeten nu eenmaal ook gebeuren. Ik werk op een atelier, met een vriendin uit de jeugdbeweging. Daar ondervind je wat onderdrukking betekent, hoe je op elkaar bent aangewezen, dat je er alleen gezamenlijk uit kan komen.'
'Weet je', zeg ik, en zwijg een ogenblik. 'Weet je dat wij thuis joden zijn?'
124