In de wei graast een kalf. Het rukt aan een touw, waarmee het aan een boom is vastgebonden, wil zich met scheve sprongen bevrijden, en legt zich kauwend in het door de voorjaarszon opgekleurde gras, terwijl ik sentimenteel naar het stomme dier kijk. De velgen van mijn fietswielen knarsen over de grindweg in de polder.
Als er maar een boer te vinden is die voedsel wil ruilen tegen het pak lucifers dat ik bij me heb, een pak lucifers, niet meer en niet minder. We hebben het al die jaren bewaard, onder in de linnenkast waar Beps moeder het had opgeslagen met een handjevol levensmiddelen, om er zo nu en dan in te komen neuzen, er iets uit weg te halen om het te gebruiken op hun onderduikadres. Zij komt toch niet terug voordat de oorlog is afgelopen, en natuurlijk zal ze het goedvinden dat wij er nu iets mee doen.
Hoe joods zou ik eruitzien als ik word aangehouden?
Zoekend naar de deur, soms voor, soms achter, klop ik aan het raam van een boerderij om het opnieuw te proberen. Hoeveel keer nog? Ze kijken niet eens naar je. Weer schud ik aan de klink van een keukendeur. Waar blijft die boer nou? Bep wou eerst per se zelf gaan, maar ze kan me wat. Ze heeft al zoveel voor mij gedaan. En het is absoluut nodig dat er weer iets in huis komt. Vooral nu Bep zwanger is; ze wilde niet langer wachten. Als ik de oorlog niet mocht overleven, wilde ze nog een kind van me. Vrouwen zijn gek om zo van een man te houden. Ze moest eens weten hoe vaak ik wel eens op een andere vrouw gesjanst heb. Maar ja, ze heeft alles voor me over, en ik kan me het leven zonder Bep niet meer indenken. Dokter Van Bomas heeft ook gezegd: Als er twee mensen bij elkaar horen, zijn jullie het wel.
144