Geen ster op mijn jasje. Het geeft al een gevoel van bevrijding, de stad uit zonder dat gore lapje op mijn borst. Vader had toen wel gelijk, dat hij zich in het begin niet wilde melden, want ze hebben ons nu allemaal te pakken gekregen. Maar wie wist het toen? Ik deed het alleen maar in mijn broek dat ze ons zouden bestraffen, dat ze alles zouden uitzoeken. Daar hebben ze de tijd niet voor gehad, anders hadden ze mij allang te grazen genomen. Voor vader heb ik het toch goed willen maken, door naar de Joodse Raad te gaan en voor hem een stempel te vragen. Wat erg dat hij daar geen gebruik van heeft gemaakt, al was het ook maar tijdelijk geweest. Altijd doe ik alles verkeerd. Soms denk ik dat mijn leven van stommiteiten aan elkaar hangt. Toen met moeder ook, met dat ziekenstempel. Ik moest toen wel zo handelen, anders waren we er geen van allen meer geweest. Als ze in godsnaam maar uit Polen terugkomt. Anders zou het me mijn hele leven bijblijven. Dan had ik beter niet geboren kunnen worden, dan dat me zoiets moest overkomen. En Maurits, was hij toch maar naar oom Andries in Amerika gegaan, toen hij die kans kreeg. Wat heeft hem bezield om hier te blijven? Hij wou vader natuurlijk niet in de steek laten. Als ze terugkomen zal ik alles doen om ze te helpen.
De boer kijkt mij van diep onder zijn stoppelige wenkbrauwen aan, en ik kijk terug, zoals wij als kinderen deden, net zolang tot een van de twee de ogen neersloeg en ik het nooit opgaf, anders beweerden ze dat je een slecht geweten had. Een slecht geweten? Heb ik een slecht geweten?
'U móet me helpen', zeg ik tegen de boer, 'ik kan niet nog verder van huis. Dan moet ik onderweg blijven slapen, en dat is veel te gevaarlijk voor me, ik ben een jood
145