gestuurd. Dat is alweer lang geleden, vóór de hongerwinter. De kleine meid moest eens weten hoezeer we, ook om haar, juist om haar, de moed niet opgeven.
Zouden er baby's zijn die de moed opgeven? Het zoontje van onze vrienden is zonder enige duidelijke aanleiding gestorven. De man werkt voor de Arbeitseinsatz in Duitsland, en weet van niets. Ik ben naar de vrouw toegegaan om het kindje nog één keer te zien. Bep durfde niet mee te gaan. Zij is weer zwanger, en zo'n beeld blijft je altijd bij, zegt ze. Een dood kindje: een wassen pop, meer niet. Je huivert om wat de dode je aandoet door er niet meer te zijn. Ik ben meegegaan naar de Oosterbegraafplaats naar het grafje van de kleine. Doden worden er op een handkar aangevoerd, in lakens gewikkeld, in karton, wat doet het ertoe? De moeder was verstard, zag wasbleek als haar verdwenen kindje dat alleen in de herinnering zal voortbestaan. Toen snikte zij het uit. En thuis paste Bep op haar dochtertje dat godzijdank nog leeft, en gezond is.
Hongerwinter. Een woord. Een man die zwaait alsof hij dronken is, en heel voorzichtig tegen een muur gaat zitten, met een verontschuldigend, verlegen lachje omdat hij de kracht niet meer heeft om weer op te staan.
De wang van Elsje kleeft tegen de mijne. Samen zijn we op de divan in slaap gevallen. Voorzichtig sta ik op, loop naar het raam. Bep had allang thuis kunnen zijn. Ik wacht zonder iets om handen te hebben, angstig omdat zij zo lang weg blijft, schuldbewust omdat je je zwangere vrouw toch geen voedseltocht in de vrieskou kan laten ondernemen. Vóór de oorlog fietsten meisjes in wanhoop over hobbelige keien om een miskraam te krijgen. Waarom ben ik zelf niet gegaan? Als jood mag
140