je niet fietsen, je mag de stad niet uit, maar ik heb toch zeker een vals persoonsbewijs, dat ik voor onze illegale groep ook wel eens gebruik. Nol Dubosq staat erop, een gekke naam, van een Franse leraar, heel vroeger. Zoiets verzin je niet, zullen ze wellicht denken, hoopje. Ze kunnen je oppakken en wegsturen, naar de Arbeitseinsatz in Duitsland, als ze geloven datje het echt bent. Lang geleden, vóór de spoorwegstaking. Nu is er helemaal niets meer: geen eten, geen Arbeitseinsatz.
Heeft de zelfgemaakte bel gerinkeld? Ik ruk het gangraampje open, kijk naar beneden, zie Bep staan. Met grote sprongen vlieg ik de trap af, open de deur. Bep valt tegen mij aan, verstijfd van de kou en van vermoeidheid. Geen stap kan ze meer verzetten.
'Kan ik helpen, buurman?' wordt er geroepen.
Ik neem, gebukt, Bep over mijn rug, de benedenbuur neemt haar bij de benen. Samen dragen we haar naar boven, leggen haar op de divan in de huiskamer, terwijl Elsje naast haar kruipt. Dan hol ik naar beneden voor de fiets. Volle fietstassen, aardappelen zitten erin, en bruine bonen.
Ik aai Bep over haar hoofd, ren weer weg, naar de keuken om de nog warme suikerbieten-pannekoekjes uit de hooikist te halen, maar als ik haar er een wil geven kan zij haar handen niet verroeren, en ik voer haar een koekje, hapje voor hapje. Zij begint te huilen en snikt verwijtend: 'Waarom kwam je niet meteen naar beneden toen ik aanbelde? Eerst keek je door het raam, en ik was al zo ontzettend moe. Bij het wegzetten van mijn fiets reed ik met het wiel nog over mijn voet ook. Dat was te veel. Ik sloeg voorover, tegen de deurstijl. Ik kon mijn handen niet meer verroeren, die waren door het trillen van het stuur helemaal stijf geworden.'
141