dra ze wakker wordt zal ik het noodkacheltje aansteken. Het hout van de schuilkelder op de Jozef Israels-kade komt goed van pas. Eén plank ervan heeft Bep tenminste naar huis kunnen slepen, een tweede is door een smeris in beslag genomen, voor zichzelf natuurlijk, een proces-verbaal heeft hij niet opgemaakt. Hoeveel Duitse soldaten zouden er elke dag sneuvelen? Aan het Oostfront, en nu ook in het Westen. Dat kunnen ze nooit lang meer volhouden. Hoe zou het nu met vader zijn? Moeder hoopte hem in Polen terug te vinden. Zou het haar zijn gelukt? En Maurits? Zou het verschil uitmaken dat hij als strafgeval naar Westerbork is gestuurd?
'Mam', roept Elsje, 'mama...'
Ik loop naar haar kamertje, maar ze is al uit bed geklommen, duwt me weg, zegt dat mama moet komen.
'Mama komt straks thuis', stel ik haar gerust.
Ze heeft koude handjes, voel ik, en ik houd ze onder mijn oksels. Ze is heel gedwee nu ik haar aankleed, een dekentje om haar heen speld, haar een boterhammetje geef van het rantsoen: vierhonderd gram per week, en zo klef dat het tussen je tanden blijft plakken. Een waterachtig stroopje erop, van suikerbieten getrokken. Ze vindt het lekker. Aardappelen zijn er niet meer, zelfs de Poolse niet, die zo groot zijn als een kinderhoofdje en naar stront stinken.
Als het maar warm te krijgen was in de huiskamer. Elsje heeft nooit last van de kou, kinderen wennen aan alles. Ik trek mijn overjas aan en hak de houtjes voor het noodkacheltje tot splinters. Wat ze al niet bedenken in deze tijd. Een dubbelwandig blikken kacheltje, in de vorm en grootte van een hoge hoed, zet je op de gewone kachel-zonder-deksel, zodat het op de schoorsteen wordt aangesloten, terwijl gaten in het blik de
138