had een handgranaat naar binnen geworpen bij een joods gezin omdat er niet gauw genoeg werd opengedaan. Stel je voor dat het bij ons was gebeurd, terwijl Elsje onder de vensterbank lag. De volgende dag zetten we haar in de keuken, draaiden angstvallig de hoofdkraan van het gas dicht, je kon immers nooit weten. Gelukkig kreeg zij spoedig haar eigen kamertje terug.
Elektrisch licht is er niet meer, kolen zijn er niet meer, en de warmste plaats 's avonds is in bed, waar Bep en ik hele gesprekken voeren, over als de oorlog afgelopen is. 'We hebben echt een groter huis nodig', zegt Bep, 'we willen er toch graag een broertje of zusje voor Elsje bij, zodra de narigheid achter de rug is.'
'Intussen kan er nog van alles gebeuren', werp ik tegen. 'Wie geeft ons de garantie dat ik de eindstreep haal. Het is nog een wonder dat ik nooit ben opgepakt.'
'Elsje mag in geen geval enig kind blijven. Dat ben ik geweest, enig kind, en dat is heel erg. Als er thuis narigheid is, kunnen broertjes en zusjes steun bij elkaar zoeken, al is het maar om op hun vader en moeder te mopperen. Ik moest het altijd alleen opvangen...'
'Steun bij elkaar zoeken, zeg je. En knokken. Daar weet ik van mee te praten.'
'Dat heb je ook nodig als kind. Ik heb nooit leren vechten, en het gevolg is dat de mensen over je heen lopen.'
'En toch kunnen we beter wachten tot de oorlog afgelopen is. Word ik voor die tijd opgepakt, dan kun je later heus wel hertrouwen. Dan komen er wel weer kinderen bij. Jij hebt later toch ook een halfbroer gekregen?'
'Je mag zo niet spreken. Ik wil na jou nooit meer een andere man.'
134