trekken waar oom Piet met opgezwollen benen op de divan ligt.
Het is mij een raadsel dat oom Piet aan hongeroedeem lijdt, ofschoon er voedsel in huis is. Daar hebben Kurt en Reina voor gezorgd, hun Duits-joodse onderduikers, die door een illegaal contact de levensmiddelen laten aanvullen. Van huis uit zijn het schatrijke mensen. Kurt was directeur bij de Mannesheim Werke, voor draadloze buizen, en wil ook hier de touwtjes in handen houden. Hij heeft voor de hele gemeenschap een strikte rantsoenering ingesteld. Er dient voortdurend eten in huis te zijn voor drie maanden, en als een bouvier waakt hij daarover. Je kan nooit weten wat er nog gaat gebeuren. Zo heeft hij zijn leven altijd geleid, vol ingebouwde zekerheden.
Het is schemerig op de kamer bij Kurt en Reina, en koud. Ik houd een schrift vlak onder mijn ogen om het huiswerk van Kurt te kunnen lezen. Eenvoudige vertalingen, waarbij zij elke keer opnieuw in de war raken met naamvalsverbuigingen. 'Die heb je alleen in het Duits, niet in het Nederlands', voeg ik eraan toe, en om te laten merken dat ik wel weet hoe het moet, ratel ik op: Mit, nach, nebst und samt, bei, seit, von, zu...' Zij lachen, zijn verbaasd over de rijtjes voorzetsels die je in Holland op school moet leren.
'Vergessen, ik vergeten', zegt Kurt, en zijn kleine, lichtbruine ogen lichten op in zijn rond, gladgeschoren gezicht dat het iets Chinees geeft.
'Wollen wir een ogenblik pauze machen?' onderbreekt Reina, 'ik ga thee zetten.' Zij spreekt langzaam het Nederlands uit. Met een kwiek gebaar van haar hoofd schudt zij haar golvende roodbruine haar achterover en kijkt Kurt aan, terwijl zij haar grijsblauwe ogen half toeknijpt.
129