oren bedekt met zwarte klepjes die door een over de schedel gebogen bandijzer met elkaar worden verbonden. Een bonter gezelschap kan men zich nauwelijks voorstellen. Iedereen heeft zijn fantasie en mogelijkheden tot het uiterste gebruikt om er nog iets van te maken. Niemand bekommert zich trouwens om het uiterlijk van zijn buurman of buurvrouw. Men let er uitsluitend op of iemand wil voordringen.
Ik loop erlangs, met mijn rechterhand in de zak van mijn jekker, een loper tussen de vingers om zo vlug mogelijk de benedendeur bij oom Piet en tante Riek te kunnen openen. Als ik aanbel zullen ze wellicht schrikken, of de WA-man aan de overkant van de straat zou zien bij wie ik moet zijn. Met drie treden tegelijk loop ik de trap op. De mensen op één hoog zijn goed, het is de familie Menist waarvan Ab tegelijk met oom Henk is gefusilleerd. Op twee hoog wonen onnozele mensen, een man en een vrouw, goedlachs, altijd opgewekt, zonder benul van wat er in de wereld gebeurt.
Op het voorportaal van de derde verdieping blijf ik staan, leg mijn oor aan de deur om te luisteren of er iemand is. Ik klop drie maal op de deur. Een vrouw zegt zachtjes, dringend: 'Jij moet in de kamer blijven.'
Ik hoor Hermannetje tegen haar praten, het jongetje dat eerst bij Rinus en Greet ondergedoken is geweest. Hij had daar kunnen springen en rennen in het grote huis, en is nu, met zijn onstuimige aard, helemaal van streek, omdat hij voortdurend moet worden beknot.
'Ben jij het Sal?'
Kort daarna word ik binnengelaten.
Op hetzelfde ogenblik springt Hermannetje als een jong hondje tegen mij op, klemt zich aan mijn benen vast, wil opgetild worden. Ik aai het kereltje over zijn verwarde, zwarte haardos, en laat mij de huiskamer in
128