LUCHTALARM
De landing van Britse parachutisten bij Arnhem is een mislukking geworden. De hoop dat de oorlog nu spoedig voorbij zal zijn, is de bodem ingeslagen. Als dieren graven de mensen zich in voor de winterslaap, vooral nu de algemene spoorwegstaking, afgekondigd op de dag van Arnhem, voortduurt en er geen voedsel meer wordt aangevoerd. Iedereen probeert zich te redden. Nu ik geen werk meer heb, krijgen wij van Rinus een kleine uitkering uit de pot van de illegaliteit, terwijl ik als bijverdienste les geef in het Nederlands aan twee Duitse emigranten, die bij oom Piet en tante Riek zijn ondergedoken. Op weg erheen word ik overvallen door een van de talrijke luchtalarms, die, nauwelijks afgelopen, weer opnieuw beginnen.
Klaaglijk geloei kondigt nu het einde ervan aan. Vannacht heb ik gedroomd dat ik opnieuw het hbs-examen moest afleggen, maar na zoveel jaren al het geleerde vergeten was. Ik weigerde ernaartoe te gaan, omdat het nergens goed voor was, dat ik er nooit iets aan had gehad. De hele dag had de droom me begeleid als een zeurderig liedje datje niet meer kwijt kan raken.
Al mijmerend ben ik bijna te ver doorgelopen. Ik moet rechtsaf, door de Lutmastraat naar de Van der Helst. Dan heb ik nog even tijd om uit te kijken als ik in de Pastelstraat beland. Ik haast me langs de achterkant van de rai, een witte stenen Siamese tweeling. Achter een breed hek dringen mensen voor de gaarkeuken opeen in een slordige rij, de kraag van een versleten jasje, van een voddige lappenmantel omhoog, hun
127