Manus Diamant zwijgt, staart voor zich uit, twee grote, verdrietige ogen in een breed gezicht.
'Met mijn moeder had ik vaak bonje', zegt hij. 'Als ik net de schoenmakerij geopend had 's morgens, kwam zij altijd binnenhollen. Voor een doosje schoensmeer, een paar veters, je kan het zo gek niet bedenken. Dan was meteen mijn jatmoos versjteerd voor die dag, want het handgeld betekent toch je geluk. Maar je kan je eigen moeder toch geen geld in rekening brengen voor zo'n rotboodschap?'
'Daar geloof jij in, in die onzin?' smaalt Goudsmit. 'Denken we nog wel dat de jidden goochemer zijn dan de gojim.'
'En wat koop je voor die gochme', vraag ik bitter. 'Daarom laten onze mensen zich als vee van huis halen.'
Iedereen schreeuwt plotseling door elkaar, maar Frank Furth roept erbovenuit: 'Jij moest je doodschamen voor zulke kletspraatjes. Jij hebt een stempel: gemengd gehuwd. Ik zou je wel eens willen zien als jij het niet had. Dan was jij ook allang weggehaald. Een stempel van de Joodse Raad vanwege pigol ? Zover wasje niet eens gekomen. Wat heeft het allemaal met gochme te maken? Arme sodemieters, dat zijn de jidden op het ogenblik, die van alle kanten worden bedreigd. En nu aan de slag, als de verdommenis. In de Hollandse Schouwburg zitten ze op de schoenen te wachten. Straks kan de een of andere sjlemiel met kapotte schoenen op transport omdat wij hier onze tijd aan het verdoen zijn. Jullie weten toch dat er vanavond een transport is? En jij ook weer naar je machine', gelast hij mij, 'moederskindjes kunnen we hier niet gebruiken.'
Verlegen haast ik mij naar de uitpoetsmachine. Ik zal eerst de geschuurde zolen en hakken met bliksem-
113