is te vriendelijk, te onderdanig. Wil hij me een dienst vragen? Ja, die schoenen heb ik van een klant, wil jij ze afwerken aan de uitpoetsmachine? Natuurlijk wil ik dat. Hoeveel werkschoenen heb ik al niet langs de schuurrol gehouden? Maar fijne damesschoentjes? Zonder het te weten heb ik het leer van de hak geschuurd, en nu gaat Jaap Engelander tekeer, niet mooi meer.
'Een beetje stopwas in die snee, en niemand ziet het', stelt Frank Furth, de chef van pigol, hem gerust.
'Die mamzer', kankert Jaap nog steeds op mij, terwijl hij opnieuw het hakje bekijkt.
'Het is ook tijd om even uit te blazen', beslist de voorman. 'Dat mag wel even nu we ons de pleuris werken. Hoe krijgen we die partij schoenen nog klaar voor het transport van de Hollandse Schouwburg naar Westerbork?'
Het groepje is nu bij elkaar komen zitten, slurpend aan drabbige surrogaatkoffie. 'Lekkere Malzkaffee, alle moffen in de zee', rijmt Louis Goudsmit, die zelf met een Duitse vrouw getrouwd is. Zou moeder het pakje destijds nog bijtijds ontvangen hebben? Een paar zware werkschoenen, met de dikste zolen, had ik voor haar naar Westerbork gestuurd. Je kon nooit weten waar ze die voor nodig zou hebben. Zij zou er wel last van hebben, met haar gevoelige voeten. Grootmoeder hebben ze ook weggehaald. Je vraagt je af waar dat toe dient. De nazi's laten de joden natuurlijk het smerigste werk verrichten, loopgraven aanleggen en zo. De oude mensen nemen ze zeker mee om in Polen opnieuw getto's te vormen. Dat zal ze toch niet lukken. Na de oorlog komt het wel weer in orde, maar hoeveel van die oude mensen zullen de ontberingen overleven?
'Hé, fietsenmaker', grapt Louis Goudsmit tegen mij,
111