'Waarom werk je dan hier?' vraagt het jongste meisje.
'Omdat de schoenmakerij van mijn vader is geliquideerd.'
'Waar was die zaak dan?'
'In de Pijp.'
'Daar heb je het al', roept zij triomfantelijk, 'dan was het geen echte joodse zaak. Wij zijn dat wel, wij zitten... zaten midden tussen de jidden. Altijd een kosjere slagerij geweest. Ons laten ze wel met rust met ons stempel.'
De moeder trommelt met haar knokkels op tafel.
'Afkloppen', mompelt zij, 'die kinderen weten niet waar ze het over hebben.'
'Voor jou blijven we altijd jéletjes, al worden we honderd jaar.'
'De goeie god moge het geven', verzucht de vrouw. 'En jij, moest jij niet naar Westerbork toen de schoenmakerij werd gesloten?'
'Ik ben gemengd gehuwd.'
'Een mens weet niet meer wat goed is en wat niet, tegenwoordig', mompelt de moeder. 'En jullie, jullie liggen de halve dag in bed', verwijt ze de meisjes. 'Nergens hebben jullie meer zin in.'
Ik lig op mijn knieën de stenen vloer van de slagerij te dweilen. Wat stom van me, ik ben aan de verkeerde kant begonnen en voel mijn broekspijpen nat worden. Het is goed, dat jij zulke dingen ook leert, zou moeder zeggen, waarom is het alleen goed voor vrouwen?
Nu komt de slager binnen. Hij is een gezette man, met een korte nek en vriendelijke ogen.
'Waar kom je eindelijk vandaan?' vraagt zijn vrouw. 'Ik werd doodbegieten toen je zo lang wegbleef.'
107