22 juni 1941
Oom Henk stond met zijn oor bij het radiotoestel, dat elk ogenblik berichten doorgaf.
Fanfares.
Het hoofdkwartier van de Führer meldt...
Nieuwe overwinningen.
Honderdduizenden Russische soldaten omsingeld.
Opmars naar Moskou.
Doorbraak in de richting van Leningrad.
'Gaan jullie zitten', zei oom Henk tegen Willy en mij, 'een ogenblikje nog.'
Hitier was de Sovjet-Unie binnengevallen.
De discussies van de laatste jaren warrelden mij door het hoofd. Was de Sovjet-Unie nog een Arbeidersstaat, ondanks de stalinistische verwording? Moest zij tegen een imperialistische aanval worden verdedigd? Daar was geen twijfel aan. Stalin was overrompeld. De imbeciel. Nog pas had Trotski geschreven: Op dit moment is Hitier de bondgenoot en vriend van Stalin; maar mocht Hitier, met behulp van Stalin, zegevieren aan het westelijk front, dan zal hij de dag erna zijn kanonnen tegen de ussr keren.
Oom Henk nam plaats tegenover ons.
'Stalin krijgt koekjes van eigen deeg', waren zijn eerste woorden. 'Daar heeft hij Finland voor aangevallen. Nu is hij zelf aan de beurt. Die bloedhond. Samen met Hitier heeft hij Polen verdeeld. Om het zover te brengen heeft hij eerst het Rode Leger onthoofd. De enige die er voordeel van had, was Hitier. Zijn tegennatuurlijke bondgenoot.'
'Tegennatuurlijk, inderdaad', zei ik gauw. Dat was het punt. Als oom Henk daar maar van overtuigd was. En niet de Sovjet-Unie en Hitler-Duitsland op één hoop gooide.
90