Straks sta je zelf voor de president, en dan zal het lachen je wel vergaan.
Het is een vernederend en tegelijkertijd potsierlijk gevoel, aan een ketting, om de pols bevestigd, de rechtszaal te worden binnen geleid, als een beer die straks in het circus zijn kunstjes moet vertonen, en wilde drift overvalt mij als een parketbewaarder mij met zich mee wil rukken. Opschudding, vermaningen, een andere berenleider voortaan.
Rechters, wier waardigheid wordt onderstreept door breedhangende zwarte overgooiers en wier komst wordt aangekondigd, opdat iedere aanwezige zal opstaan voor het gezag. Rechters, wier horizon wordt bepaald door de grenzen van tolerantie van de burgerlijke maatschappij: de kapitalistische eigendomsverhoudingen; de vraag wie geweld mag gebruiken tegen wie; de willekeur van persoonsbewijzen.
Opgeheven hoofd, en toch schokken mijn knieën als ik voor het eerst de rechtszaal betreed, alsof zij aarzelen tussen de moed van de rebel en de angst van de onderdrukte. En het dringt tot mij door dat zonder die vervloekte angsten, die zich hebben vastgezet in de ziel van wie onderligt, het kapitalisme zich geen dag staande zou kunnen houden. Maar daar zit mijn vriend. Ik begroet Michel met vreugde, ontroering. Hij kijkt nors. Is hij kwaad op mij? Omdat ik mijn advocaat, in een brief aan de Internationale, heb verdedigd tegen een bewering van Hella, dat hij onder druk van de justitie zou staan? Nu geeft Michel zich gewonnen. Er klinkt blij gemompel op de publieke tribune.
De mallemolen gaat draaien. Getuigen van de officier
370•