kening, mors inkt en zoek er een verklaring voor. Ik voel me besmeurd door de heimelijke samenwerking van Ab met Jan de Etter, en weet dat voor mijzelf daarmee de strijd voor altijd verloren is. Want wie zal mij geloven, ook al zweer ik bij hoog en bij laag dat ik er niets van heb geweten? Uit de verklaringen tijdens het proces in Osnabrück is weliswaar gebleken, dat Ab elk van hen streng had geïnstrueerd, voor mij de betrokkenheid van de renegaat te verzwijgen, maar wie zal in Nederland die verklaringen raadplegen?
De commissaris van de rijksrecherche zelf komt mij ophalen. Met loeiende sirenes jaagt hij zijn politieauto door de De Lairessestraat naar het Paleis van Justitie op de Prinsengracht. Hier liepen we eens in een meioptocht van de sdap, dertig jaar geleden, op een saaie zondag, begeleid door politieagenten te paard. Ik was een brave ajc'er die het geweld verafschuwde, en verweet mijn broer Maurits, een driftkop die niet bang was om te vechten, dat hij aanleg had om communist te worden. En nu begrijpen de mensen niets van mij. Hoe kun je in Nederland, met zijn goede sociale voorzieningen, zijn democratische structuur, revolutionair zijn? Ze vergeten dat Nederland niet het centrum van de wereld is. Ook Nederland is kwetsbaar bij elke verandering in de conjunctuur. Bij de eerste grote wereldcrisis kwam Hitier in Duitsland aan de macht. Tien jaar later vernietigde hij het Nederlandse jodendom.
Bij de nadering van het Paleis van Justitie op de Prinsengracht klem ik mijn tanden op elkaar. En weer word ik teruggezogen door herinneringen. Daar heb je de krul, de pisbak, waar mijn collega Willem van het deurwaarderskantoor vroeger vaak grapte dat hij er het peukje sigaar van de president ging zoeken.
369•