ten, en maar al te graag hebben meegerekt, in afwachting van nieuwe ontwikkelingen? Een slecht geweten heb ik niet. De verontwaardiging alom tegen het lange voorarrest, van jongerendemonstraties tot vragen in het parlement door de PvdA en de psp, zal ons ongetwijfeld ten goede komen. Nog een paar weken, dan komen we eindelijk voor. De gedachte, me actief te kunnen verdedigen, fleurt me op. Wat er viel voor te bereiden is gebeurd. Niemand zal ooit beseffen hoeveel tijd mijn advocaat daarin heeft gestoken. Hij heeft geen rust voor hij een zaak helemaal heeft uitgeplozen. Ik zal hem altijd dankbaar blijven voor wat hij in deze periode voor mij heeft betekend. Hij heeft wel eens tegen me gezegd: 'In deze zaak zijn al mijn rechtsidealen, waarmee ik mijn studie begon, weer levend in me geworden, ik voel me soms net als in mijn studententijd. En over het begrip persoonsbewijs zou ik nu college kunnen geven.' Een fijn mens.
Bij dit alles is het een voordeel, dat die hele juristerij mij niet vreemd voorkomt. Zeven jaar heb ik, als jonge kerel, op een deurwaarderskantoor gewerkt. De rechtbank, de politie, zij hebben zich niet in de achtergronden van onze zaak verdiept, maar bijten zich vast in onbenulligheden die het bewijs moeten leveren, en daar gaat het gevecht over, de strijd om onbenulligheden die hun vertaling hebben gevonden in wetsartikelen, de algebra van de rechtspraak. Toen een getuige a charge tijdens het vooronderzoek stelde dat hij door mijn bemiddeling een voorschot had ontvangen op geld dat hij moest uitgeven, maakte de rechter-commissaris er 'afbetaling' van. Het is een groot verschil of ik iemand geld voorschiet, wat geen enkele verplichting behoeft in te houden, dan wel als afbetaling verstrek. Ere wie ere toekomt: de officier van justitie was
365•