moet gaan. Nee, ze mag me geen sigaretten geven. Hij heeft er wel een voor me. Ik weiger.
Ook journalisten proberen dichterbij te komen. Er wordt naar me geroepen. Door wie? De rechercheur sluit het raampje. Zelfs de officier van justitie paradeert hier, samen met de commissaris van de rijksrecherche. Ze lopen naar mij toe.
Het verhoor van Ab gaat zo beginnen. Michel en ik móeten daarbij aanwezig zijn, met ons protest hebben ze niets te maken. Wij mogen naast elkaar zitten, maar absoluut niet met elkaar praten, daar zal streng op worden gelet. Aantekeningen? Ja, dat mag. Neem het schrift maar mee, die balpen ook.
Er is bijna geen ruimte meer in de houten keet, die van buiten op een woonwagen lijkt. Achter een tafel zitten de rechter-commissaris, haar griffier, de officier van justitie, en enkele vreemde gezagdragers. Een rechercheur leidt mij langs de commissaris en enige gewapende agenten. Dan moet ik gaan zitten, links van Michel. Mijn rechterpols wordt aan zijn linker geboeid. Hoe kan ik zo stenograferen? Ik wil alles stenografisch opnemen, om geen woord te missen. Aantekeningen? Dit zijn ook aantekeningen.
'Hoe gaat het, Michel?' fluister ik, nauwelijks mijn lippen bewegend. Als hij maar niet kwaad is om de verklaring die ik voor de commissaris van de recherche heb afgelegd. Zonder hem te raadplegen. Raadplegen? Alsof dat nog mogelijk was.
Een vluchtige beweging met zijn geboeide hand, dan: 'Jij moet hetzelfde doen als ik, zelfs als je niet begrijpt waarom.' Michel staat op, trekt mijn rechterarm mee omhoog en verklaart dat hij hier onder protest naartoe is gebracht, dat hij hier thans niet aanwezig is.
341•