ze me de boeken zelf brengen. Moeder heeft, bijna twintig jaar na Auschwitz, toch gelijk gekregen. 'Die jongen moet in een bibliotheek werken, hij houdt zo van boeken', verzekerde ze vader toen ik als vijftienjarige werk ging zoeken, en op een kantoor terecht kwam. Maar het oordeel van moeder werd niet gevraagd.
Niemandsland
Geërgerd kijkt de rechercheur naar mijn strontbruine ba-jespak. Hij weet zich er kennelijk geen raad mee. Nu kan iedereen zien dat ik niet vrijwillig meega naar het niemandsland aan de grens bij Vaals, waar ze Ab een getuigenverklaring onder ede tegen ons willen laten afleggen. Die hebben ze nodig om ons te kunnen veroordelen, nu Ab in Duitsland gevangen zit. In opdracht van de fln is hij in Osnabrück een drukkerij begonnen, waarin hij de bankbiljetten zou drukken. Op de dag dat het karwei geklaard was, is hij met zijn twee medewerkers gearresteerd. Hij heeft een volledige bekentenis afgelegd, die vooral belastend is voor Michel, wiens bloed hij wel kan drinken. In geen geval zal ik aan de grens iets zeggen. Elke discussie met Ab zou worden genoteerd, en hoe vijandig we ook tegenover elkaar mogen staan, de justitie zou pogen de tegenstrijdige verklaringen te gebruiken om de zaak rond te maken. Zo denkt mijn advocaat erover. Maar hoe groter de warboel, hoe volkomener het gekkenhuis, hoe meer het vooronderzoek wordt gerekt. En dat moet. Dat moet. Dat moet. Sjloume de geus. Die rechercheur moest weten hoe rottig ik me voel in die smerige kleren. Hij was het die op het Paleis van Justitie, toen ik urenlang moest wachten
339•