Ik vertel dat ik mij solidariseer met de nationale vrijheidsstrijd van het Algerijnse volk en mij de positie waarin de Algerijnen in Frankrijk verkeren in sterke mate deed en doet denken aan het lot van de joden in de oorlog, vogelvrij en rechteloos, en dat ik toen heb beloofd te trachten in dezen mijn bemiddeling te verlenen. Om die reden heb ik contact opgenomen met Ab, die bekend was om zijn linkse sympathieën en om wat hij tijdens de oorlog heeft gepresteerd bij het vervaardigen van papieren voor de illegaliteit.
Deze was bereid zijn medewerking te verlenen, en ik heb hem daarom in contact gebracht met het Algerijnse verzet. Afgesproken werd, dat Ab zich een installatie zou aanschaffen waarmee hij de bewuste hulp kon verlenen. Het geld zou door de Algerijnen worden verstrekt, maar ik verklaarde mij bereid daarbij mijn bemiddeling te verlenen. Hoe hoog die bedragen zijn geweest kan ik mij niet nauwkeurig herinneren.
Ook verder had mijn activiteit in dezen een zuiver bemiddelend karakter. Enig financieel belang heb ik daarbij niet gehad of nagestreefd.
Met Jan de Etter, wiens naam ik na mijn arrestatie meermalen heb horen noemen, heb en had ik geen enkele relatie, hoe dan ook, direct of indirect.
De in deze verklaring genoemde feiten waren de politie reeds bekend, zoals mij tijdens de verhoren is gebleken, zodat ik met het afleggen ervan geen enkel belang schaad en slechts mijn eigen verantwoordelijkheid in dezen wens duidelijk te maken.
Terwijl de commissaris van de rijksrecherche razendsnel met twee vingers mijn verhaal op de schrijfmachine rammelt, vraagt hij om mij te overrompelen: 'En welke rol heeft je vriend daarbij gespeeld?' 336