- die ons te wachten staan. Gelukkig komt eens per week de humanist die mij twee sigaretten lang bij zich houdt en die geen kwezel is, de voorzitter van zijn vereniging is de zwager van mijn slapie uit militaire dienst. Daar is de bewaarder om mij te halen. Onze voetstappen ketsen op het staal van de trap, vermengen zich met het ritme van naderende stappen, want iemand gaat naar de dokterskamer hier vlakbij.
Michel, ja, het is Michel! Voor de bewaarders ons kunnen tegenhouden rennen wij naar elkaar toe, omhelzen elkaar, en Michel fluistert in mijn oor: 'We only claim the cards', alleen de persoonsbewijzen nemen wij voor onze rekening. Dan worden wij uit elkaar gerukt, en bewaarders sleuren ons elk een andere kant uit.
Meer verschrikt dan kwaad zegt mijn bewaarder: 'Zoiets had je nooit mogen doen', sluit mij weer op in de cel, controleert of de deur wel goed gesloten is.
'Waar moet ik naartoe?' vraag ik aan de parketwacht die me komt halen. Geen antwoord. In de blauwpijper die mij wegbrengt wordt naar mijn vraag niet eens geluisterd. Wij zijn nog in Amsterdam, anders had de rit langer geduurd. Dan wordt een hek geopend en mag ik uitstappen. Een grote ronde bruine deur, en ik weet het: hier bracht ik pakjes voor Mien Sneevliet voordat zij naar het concentratiekamp ging.
De cel is groter hier op de Amstelveenseweg, geelgroen geschilderd, met een cementen vloer en een langwerpige, koepelvormige bakstenen zoldering waardoor ik aan een doodkist moet denken. Er is zelfs geen raampje waardoor je naar buiten kunt kijken, alleen op twee meter hoogte
32.4