Is dat Michel, met die stoppelbaard, en grote, starende ogen? Ziet hij mij nu ook?
'Ik heb niets gezegd', roept hij mij toe.
Verschrikte rechercheurs sleuren hem al de kamer uit, terwijl ik hem nog achterna schreeuw: 'Ik ook niet.'
'Vooruit, mee', snauwt een rechercheur me toe, duwt me naar een andere deur.
Een zenuwachtige officier van justitie, rood aangelopen, blijft verbijsterd achter, terwijl zijn adjudant mij toevoegt: 'Zo, de heren spelen Indianenopperhoofd.'
Even wrijf ik over mijn baard van vier dagen. Ik moet plaats nemen tegenover een vrouw van mijn leeftijd, die mij onderzoekend aankijkt.
'Ik ben de rechter-commissaris', zegt ze tegen mij. 'U kunt gewoon mevrouw zeggen.' En dan, iets minder plechtig: 'U hoeft niet bang te zijn om met mij te praten. Ik zit hier niet als uw rechter.' Als om te antwoorden op het wantrouwen dat ik in me voel opkomen, vervolgt zij dat het de taak van de rechter-commissaris is te waken zowel over de naleving van de wet als over de belangen van de verdachte. De officier van justitie heeft haar verzocht, mijn inhechtenisneming te gelasten. Ik word ervan verdacht op ernstige wijze de wet te hebben overtreden. Ik zou er verstandig aan doen haar de waarheid te vertellen, zodat zij mijn belangen kan afwegen tegen het verzoek van de officier van justitie. Als ik in mijn houding volhard en blijf zwijgen, laat ik haar geen enkele keus.
'Ik heb uit overtuiging de Algerijnen geholpen, u kunt van mij niet verwachten dat ik nu praat.'
'De Algerijnen geholpen? Dat had u ook op een manier kunnen doen die u niet in conflict had gebracht met de
320