de fabriek als ansichtkaarten verspreid voor de strijders in het binnenland van Algerije. Het is een mooi succes, dat niemand ons meer kan afnemen.
Aan gene zijde
'Ik doe wel open', zeg ik tegen Bep als er langdurig wordt gebeld. Terwijl ik de knop van het lipsslot nog maar net heb teruggedraaid, wordt de buitendeur al tegen mij aan geduwd. Een vreemde man gaat voor mij staan. Iemand rent met twee treden tegelijk de trap op naar de zolder. Een ander draait de tuindeur op slot en wil de sleutel in zijn zak steken. 'Eerst zij eruit', zegt Bep scherp en vertelt onze kleine meid dat zij bij het buurmeisje moet gaan spelen. Dan richt ze zich tot een groepje mannen, die in een rijtje naast elkaar in de keuken zijn gaan staan, en bijt ze toe: 'Jullie moesten je schamen.' Ineens is er een grote rust over me gekomen. Iemand stelt zich voor als de officier van justitie, en laat zijn penning zien. Die ene rechercheur herken ik uit de Reguliersbreestraat.
In het Paleis van Justitie worden pakken met boeken, oude schriften, brochures en mappen binnengedragen. Die schriften zijn nog afkomstig van oom Henk. Hij heeft er in de oorlog kranteknipsels in geplakt. Daar moeten ze afblijven. Ik protesteer bij een rechercheur, een adjunctofficier van justitie die me wil verhoren. Om me aan het praten te krijgen staat zijn mond niet stil. Het was hun bedoeling, me bij Michel thuis te arresteren, twee vliegen in één klap, omdat ik elke middag na mijn werk eerst bij hem instructies ging halen. Uitgerekend vandaag ben ik
314•