kameraden vaarwel toegeroepen. Hij stond ons toe te wuiven.'
Illegaal werk onder legale omstandigheden, je wordt er stapelgek van. Terwijl in de oorlog iedereen zijn mond hield of tenminste niet nieuwsgierig was, uit overwegingen van eigen veiligheid, omdat niemand weet hoe hij zich zal gedragen als hij gemarteld wordt, gebeurt nu het tegenovergestelde. Niemand weet precies wat wij doen, maar iedereen vermoedt wel iets en kletst erover omdat het zo interessant is, en wie ruikt het gevaar als er in de nabijheid geen kruitdamp is? L'Ami belt mij op, komt met details die mij de stuipen op het lijf jagen. Natuurlijk worden we afgeluisterd, al was het maar om het politieke contact tussen Michel en mij. Ik ga speciaal naar 1'Ami toe, voor de duizendste keer, om hem op het hart te drukken dat hij zich door de telefoon voorzichtiger moet uitlaten. Hij haalt zijn schouders op, kijkt me aan alsof ik een schijter ben, een lafaard die spoken ziet, belooft spottend beterschap, en belt mij de volgende dag weer op met soortgelijke vragen.
'Denk je dat 1'Ami zal doorslaan, als hij ooit wordt gearresteerd?' vraagt Michel mij. Niet zo lang geleden zou ik het met klem hebben ontkend, nu antwoord ik: 'Het is niet uitgesloten.' 'Maar dat is niet mogelijk', antwoordt Michel, 'in elk geval is hij niet gek. Het zou op zijn eigen hoofd neerkomen.'
Als ik een winkel verlaat in de Reguliersbreestraat, een doodgewone winkel waar ik kranten heb gekocht, stapt aan de overkant een man haastig op zijn fiets. Hij lijkt op een vriendje van de lagere school. Die veer aan zijn
310