verschillen, en soms namen Lenin en Trotski een ander standpunt in, en stemden anders. Michel verlangde altijd dat ik met hem mee stemde, omdat hij me als medestander beschouwde, en liefst verlangde hij het ook van de anderen. Ik had hem dat wel eens gezegd. Toen antwoordde hij: 'Lenin kon zich dat veroorloven omdat zij als beweging veel sterker waren dan wij. Wij moeten ons al tientallen jaren met weinigen zien te handhaven, en je hebt gezien hoe snel meningsverschillen leiden tot een scheuring.' Hij had wel gelijk. Onze kritiek op het stalinisme was juist dat het geen meningsverschillen toestond, geen stromingen en fracties erkende, dat het monolitisch was. Wij zeggen wel dat er in onze beweging verschillende stromingen naast elkaar moeten kunnen werken, maar elke keer als er een of andere oppositionele tendens is kun je er donder op zeggen dat het op een scheuring uitloopt. Terwijl mijn gedachten krijgertje spelen, hoor ik Michel zeggen: 'Compromis? Ze maken tegenwoordig elke samenwerking onmogelijk.' Dan, tot mijn verbazing: 'Eigenlijk voel je je als secretaris altijd een soort Bonaparte die met iedereen en alles rekening moet houden, de krachten tegenover elkaar moet afwegen om ze dan in balans te houden. De revolutionaire marxisten vormen maar een kleine minderheid, zelfs in onze eigen Wereldpartij. Zo is het trouwens altijd geweest. Marx en Engels stonden bijna steeds alleen. En Lenin was ook meestal in de minderheid, zelfs aan de vooravond van de Oktoberrevolutie. Om van Trotski maar niet te spreken.'
Waar wil Michel naartoe, nu hij zo praat? Dat gaat toch tegen zijn eigen voornemen in?
'In elk geval moeten we geduld hebben tot het Wereldcongres', meen ik, en daarmee herhaal ik wat Michel me
307