woordt geërgerd: 'Wie weet het beter, u of ik? Ik ben de jefe de la policia. U moet nog een stempel de identificación hebben.' Elke verdere discussie is zinloos. Ik ben aan de man overgeleverd, en beleefd vraag ik hem of hij als chef van de politie dan niet voor een dergelijk stempel kan zorgen. 'Es una idea', stemt hij nu vriendelijk in, en komt naast me zitten: 'Hay que darme una comisión.' Hij wil een fooi hebben. 'Hoeveel?' vraag ik. 'Honderdvijftig.' Dat valt mee, de Boliviaanse peso is nauwelijks een cent waard. Als ik hem het geld wil overhandigen, schudt hij: 'No senor, nacionales, wij zijn hier dicht bij de Argentijnse grens.' Nacionales, dat zijn Argentijnse pesos. Dat kost me dertig gulden. Veel meer heb ik niet bij me, maar wat kan ik doen? Ik krijg het paspoort terug, zonder extra stempel, en ten afscheid een vriendelijke hand.
Redding in mijn benarde financiële toestand moet een vroegere partijgenoot in Tucuman brengen, vele uren reizen van de Boliviaanse grens. Hij is mijneigenaar, en kent Perón persoonlijk, die hem eens heeft gevraagd met hem samen te werken: 'Ik ben nationalist, u marxist, maar allebei willen wij hetzelfde: de nationale onafhankelijkheid.' 'Perón is heel intelligent', vertelt hij mij, 'op de hogere krijgsschool stak hij boven iedereen uit. Hij is heel wat pienterder dan de meeste politieke leiders in het Westen. De verzadigde bourgeoisieën brengen geen mensen van formaat meer voort. Daarvoor moet men in de achtergebleven landen zijn.'
Ik hoop met heel mijn wezen dat deze man mij echt zal bijstaan. Zonder moeite kan hij mij aan papieren helpen voor een verblijfsvergunning in Argentinië, en ook zou hij me gemakkelijk een baantje kunnen verschaffen, hij, de miljonair. Posadas heeft hem geschreven dat ik geld nodig
2-53