Comunidad de Ayopaya', en weer een: 'Los campesinos de Caquiaviri, Ex-Comunidad.' cob. Het is een steeds terugkerend beeld. Zij zijn de nazaten van enkele der oer-communistische gemeenschappen die de grond in collectief bezit hadden tot zij werden verdreven door Spaanse overheersers en imperialistische magnaten. Zij nemen in Bolivia een belangrijke plaats in, zo wordt mij duidelijk, en allen zijn zij aangesloten bij de cob. Spontaan applaus en hoerageroep van alle kanten: de mijnwerkers zijn in aantocht, van Siglo Veinte en andere genationaliseerde mijnen. Zij lopen gedisciplineerd, hebben helmen met de mijnlamp op, en om hun schouders slierten banden met dynamiet.
Ten slotte, op de Plaza Murillo, dromt de menigte samen om te luisteren naar de hoogdravende woorden van president Paz Estenssoro, een burgerlijke nationalist. Hun eigen leider, Juan Lechin, voorzitter van de cob, is er niet. Wegens ziekte, luidt de verklaring, 'burracho', dronken beweren anderen. Het laatste lijkt mij het waarschijnlijkst, niet omdat Lechin een zuiplap zou zijn, maar wat moet je als arbeidersleider tegen een menigte zeggen aan wie je politiek niets te bieden hebt?
'Zie je die kogelgaten in de muur?' vraagt Posadas mij. 'Zij herinneren aan de revolutie van een jaar geleden.' Bij mijn enthousiasme waarschuwt hij: 'Kleinburgerlijke romantici verheerlijken de revolutie. Het is veel moeilijker haar voor te bereiden, en juist daarin bestaat het werk van de proletarische revolutionair. Daarom is er in de beweging een keiharde discipline noodzakelijk. Jonge intellectuelen worden eerst geproletariseerd. Van de universiteit gaan zij rechtstreeks naar de fabriek. Overal stuur ik ze heen, om
251